Strafbare feiten bij gemeente Rheden?
Rond de inzet van het Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem (GIR) door gemeente Rheden zijn drie feitelijke handelingen in beeld gekomen die mogelijk strafrechtelijke relevantie hebben. Of daadwerkelijk sprake is van strafbare feiten, is uitsluitend ter beoordeling van het Openbaar Ministerie en uiteindelijk de strafrechter.
De GIR-registratie heeft betrekking op een inwoner van Rheden. Zij heeft samen met haar juridisch ondersteuner Ray Heijder van Ebenezer Advies de afgelopen jaren uitgebreid onderzoek verricht. Op basis van de verzamelde informatie zal in de eerste week van augustus 2026 aangifte worden gedaan bij het Openbaar Ministerie.
De drie feitelijke handelingen
De aangifte ziet op de volgende feitelijke handelingen:
- de melding en registratie 51214 in het GIR op 16 augustus 2019 om 17.00 uur;
- de volledige verwijdering van deze registratie op of omstreeks 8 mei 2023;
- de mededelingen van 26 juni 2024 en 29 oktober 2024 dat de registratie op verzoek van betrokkene zou zijn verwijderd.
Juridisch zwaar onder druk
Volgens de aangever kunnen deze handelingen juridisch niet worden gedragen.
De oorspronkelijke melding en registratie blijken niet te kunnen worden teruggevoerd op een feitelijke grondslag. Voor de beschuldigingen en beweringen in de registratie is volgens de aangever geen bewijs beschikbaar. Ook na meerdere bestuursrechtelijke procedures heeft gemeente Rheden daarvoor geen onderbouwing kunnen geven.
Voor de volledige verwijdering van de GIR-registratie ontbreekt volgens de aangever eveneens een geldige wettelijke grondslag. Tot op heden heeft de gemeente geen rechtsgrond kunnen aanwijzen waarop deze verwijdering is gebaseerd.
Ook de mededelingen dat de registratie op verzoek van betrokkene zou zijn verwijderd, blijken volgens de aangever niet met bewijs te kunnen worden onderbouwd. Vast staat wel dat een medewerker de externe ict-partner heeft verzocht alle gegevens van de registratie uit het GIR te verwijderen.
Bij toeval ontdekt
Als het aan gemeente Rheden had gelegen, zouden betrokkene en haar juridisch ondersteuner vermoedelijk nooit kennis hebben genomen van het bestaan van de GIR-registratie. De registratie had dan mogelijk nog jarenlang invloed kunnen uitoefenen op de rechtsverhouding tussen betrokkene en de gemeente.
Het bestaan van registratie 51214 kwam pas aan het licht tijdens onderzoek in een geheel andere bestuursrechtelijke procedure. Volgens de aangever en de juridisch ondersteuner is dat waarschijnlijk het gevolg van het later toevoegen van recentere persoonsgegevens uit die andere procedure aan de oorspronkelijke registratie. Daardoor verscheen de registratie alsnog in de resultaten van een AVG-inzageverzoek.
Juist dat later toevoegen van persoonsgegevens kan volgens de aangever een afzonderlijke feitelijke handeling vormen die eveneens strafrechtelijk relevant kan zijn. Hoewel deze handeling vooralsnog geen onderdeel uitmaakt van de aangifte, kan zij alsnog betekenis krijgen indien het Openbaar Ministerie besluit een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.