Ruststand Inwoner – Gelderse gemeente: 0-1
Soms ontstaat in een bestuursrechtelijke procedure een opmerkelijke situatie. Een bestuursorgaan overschrijdt de wettelijke beslistermijn voor een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Nadat de verzoeker een ingebrekestelling heeft verzonden en vervolgens beroep wegens niet tijdig beslissen instelt, neemt het bestuursorgaan alsnog een besluit. Daarmee wordt het beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel niet-ontvankelijk.
Dat betekent echter niet automatisch dat de verzoeker geen recht meer heeft op vergoeding van het betaalde griffierecht. De bestuursrechter zal immers moeten beoordelen of het beroep op het moment van indiening terecht was ingesteld. Wanneer dat het geval is, kan er aanleiding bestaan om het bestuursorgaan alsnog te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht.
Een verkeerde wettelijke maatstaf
Problemen ontstaan wanneer in plaats van deze beoordeling een andere wettelijke maatstaf wordt toegepast. Zo kan een bestuursorgaan de aandacht proberen te verleggen naar het gedrag van de verzoeker of diens gemachtigde, bijvoorbeeld door te stellen dat sprake is van onwenselijk procederen of een bepaalde wijze van indienen van Woo-verzoeken.
Wanneer de bestuursrechter die argumenten betrekt bij een geschil dat uitsluitend ziet op het niet tijdig nemen van een besluit, bestaat het risico dat twee verschillende juridische beoordelingskaders met elkaar worden vermengd. De vraag of een verzoek op de juiste wijze is ingediend, staat immers los van de vraag of een bestuursorgaan tijdig op dat verzoek heeft beslist.
Mogelijke gevolgen
Een dergelijke benadering kan verstrekkende gevolgen hebben. Niet alleen kan een verzoeker daardoor ten onrechte het betaalde griffierecht mislopen, ook kan in toekomstige procedures dezelfde onjuiste maatstaf opnieuw worden toegepast.
Daarnaast kan een onjuist juridisch kader bijdragen aan een beeldvorming waarin de nadruk komt te liggen op het gedrag van de verzoeker, terwijl de kern van het geschil juist het handelen van het bestuursorgaan is. Dat kan ten onrechte de indruk wekken dat sprake is van misbruik van recht of onredelijk procederen, terwijl daarvoor mogelijk geen juridische grondslag bestaat.
Het belang van hoger beroep
Juist om die reden is hoger beroep in dergelijke zaken van belang. Een hogerberoepsrechter kan verduidelijken welke wettelijke maatstaf moet worden toegepast en daarmee bijdragen aan een consistente rechtsontwikkeling. Dat is niet alleen van belang voor de betrokken partijen, maar ook voor toekomstige procedures waarin vergelijkbare rechtsvragen spelen.
Wanneer hoger beroep aanhangig is over een principiële rechtsvraag, kan het bovendien verstandig zijn om bestuursrechters in vergelijkbare lopende procedures daarop te wijzen. Zo kan worden voorkomen dat een mogelijk onjuiste rechtsopvatting zich verder ontwikkelt voordat daarover in hoogste instantie duidelijkheid bestaat.